De blinde test: herken je het resultaat van een betere prompt?
In deze oefeningen krijg je drie keer achter elkaar twee antwoorden te zien die dezelfde AI op heeft gegeven op dezelfde onderliggende vraag. Een van de antwoorden komt uit een 'kale' zoekopdracht, het andere uit een RTCF-prompt.
Kies eerst welk antwoord je bruikbaarder vindt — daarna zie je welke door de verbeterde prompt gegenereerd werd, en welke prompts eronder lagen.
Er is bewust geen tijdslimiet en geen goed of fout dat meetelt. Het gaat om wat je opvalt vóór je weet welke welke is.
Deze oefening hoort bij het artikel Rol, Taak, Context, Format. Wen er maar aan. — daar staat waarom die vier velden doen wat ze doen.
Antwoord A
Goed, we beginnen rustig en bouwen op. Eén vraag tegelijk — typ je antwoord, dan geef ik feedback en gaan we verder.
Vraag 1. Je onderzoekt een patiënt en vindt intacte sensibiliteit tot en met dermatoom C6, met een spierkracht van 3 bij de polsextensoren en 0 distaal daarvan. Welk motorisch niveau noteer je, en waarom dat en niet C7?
(Ik houd de ASIA-definities aan zoals in de ISNCSCI-revisie; als jouw vakgroep een afwijkende afspraak hanteert, zeg het dan even, want dat kan ik niet zien.)
Antwoord B
Toetsvragen dwarslaesie
1. Wat is het verschil tussen een complete en incomplete dwarslaesie?
Antwoord: Bij een complete laesie is er geen motorische of sensibele functie onder het niveau; bij een incomplete laesie wel.
2. Waar staat ASIA voor?
Antwoord: American Spinal Injury Association.
3. Noem drie complicaties van een dwarslaesie.
Antwoord: Decubitus, urineweginfecties, spasticiteit.
4. Wat is autonome dysreflexie?
Antwoord: Een acute bloeddrukstijging door een prikkel onder het laesieniveau, meestal bij laesies boven Th6.
5. Wat is het Brown-Séquard-syndroom?
Antwoord: Een halfzijdige laesie met ipsilateraal motorisch verlies en contralateraal verlies van pijn en temperatuur.
Wat dit oefent
De valkuil is telkens dezelfde: het kale antwoord oogt vaak voller, vlotter en completer. Het RTCF-antwoord is korter, saaier, en soms een beetje ongemakkelijk expliciet over wat het níet weet. Precies dat laatste maakt het bruikbaar — je kunt ermee verder zonder alles na te lopen.
Wie de drie rondes doorheeft, heeft de kern van workshop 1 te pakken: een antwoord beoordelen op bruikbaarheid in plaats van op vloeiendheid, en de vier velden invullen vóór je op enter drukt.
Taak: [één sturend werkwoord + wat precies].
Context: Ik ben [functie/specialisme]. [doelgroep, setting, niveau, tijd, wat ik al weet, wat ik wil vermijden, bron].
Format: [lengte, structuur, toon]. Markeer wat onzeker is; werk alleen met de aangeleverde bron; geen patiëntgegevens.
Terug naar het artikel: Rol, Taak, Context, Format. Wen er maar aan. — daar staat het vervolg: één taak uit je eigen week, twee versies, naast elkaar.